Het is geen geheim dat er vroeger veel bier werd gedronken, veel meer dan nu. Net als nu werden er tegen het einde van de Middeleeuwen ook accijnzen geheven op de verkoop van bier. Deze accijnzen waren zelfs één van de belangrijkste bronnen van inkomsten voor stadsbesturen. In ‘s-Hertogenbosch was dit niet anders. Echter was er één groep die vrijgesteld was van belasting: de katholieke kerk.
De Bossche stadsbrand van 1463
In juni 1463 brak er in Den Bosch brand uit in het huis De Grote Ketel in de binnenstad van ‘s-Hertogenbosch. Deze brand verwoestte een groot deel van de stad. Daarop besloot het stadsbestuur dat de huizen, net als in veel andere steden, wat brandveiliger moesten worden. Daken waren vaak bedekt met riet, dus leek het hen een goed idee om daar maar eens mee te beginnen. Maar dat kost geld, en hoe kom je als stadsbestuur aan geld? Juist, door het innen van belastingen. Door de hoge bierconsumptie hadden brouwerijen vaak veel geld, dus op bier werd al belasting geheven, behalve bij de geestelijken.

Het stadsbestuur klopte dus aan bij Sint Jan en vroeg de kanunniken om maar eens accijns te betalen over hun zelf gebrouwen bier. Het zal je niet verbazen: ze weigerden.
De gemoederen liepen hoog op. De schepenen spanden een rechtszaak aan om toch accijns te kunnen heffen, maar verliezen deze in 1469: het kapittel mag bier blijven brouwen en invoeren, vrij van belasting.
De Raad van Brabant bemoeit zich ermee
De financiën van ’s-Hertogenbosch waren nog altijd niet op orde en de spanningen onder de bevolking namen toe. Na een opstand besloot het stadsbestuur in 1477 nogmaals een poging te wagen en klopte weer aan bij de Sint Jan. Tevergeefs. De schepenen zochten het hogerop, met succes. De Raad van Brabant doet de uitspraak dat de kanunniken diverse nieuwe belastingen opgelegd krijgen, waarvoor zij diep in de buidel moeten tasten. Niettemin blijven zij vrijgesteld van accijnzen op bier en wijn, mits er geen dranken aan derden worden verkocht.
Illegale bierhandel achter de Sint Jan
Het betalen van belastingen lijkt goed te gaan, maar de geestelijken worden ervan verdacht toch extra inkomsten te verwerven door stiekem hun bier te verkopen. Illegale handel achter de Sint Jan!

De schepenen hebben op dat moment echter geen bewijs. Pas jaren later worden de geestelijken betrapt als ze in de nachtelijke uren vaten bier uit de brouwerij van het kapittel aan de Papenhulst heimelijk verkopen.
Een strijd volgt. De kanunniken roepen de hulp in van de bisschop van Luik, die de stad het interdict oplegt: publieke godsdienstuitoefeningen, het uitdelen van sacramenten en begrafenissen in gewijde grond worden opgeschort. Dit pikken de schepenen niet. Zij laten een groep soldaten, op dat moment toevallig in ’s-Hertogenbosch aanwezig, onderbrengen in de huizen van de geestelijken.
Zo ontstaat er een grimmige sfeer met wederzijds pesterijtjes, die pas maanden daarna met een compromis verbetert: de kanunniken krijgen een iets hogere vrijstelling op de verkoop van alcohol en het interdict wordt opgeheven. Eindelijk rust.
