Nijmegen heeft in vroeger dagen een bloeiend brouwersgilde gehad. In de zeventiende eeuw telde de stad zelfs 35 bierbrouwerijen, die zorgden voor Nijmeegse bieren als Molbier, Jopenbier, Juxstart, Leckwaardt en Scherrebier.
Het bekendste Nijmeegse bier was het Molbier: een ondergistend witbier van ongeveer 4,5% dat niet al te lang na het brouwen gedronken diende te worden. Het leende zich dus niet voor een ver van de stad gelegen afzetmarkt, maar in de stad en de naaste omgeving was het bijzonder populair. Tot ver in de achttiende eeuw werd het ‘Nijmeegs Molbier’ in grote hoeveelheden verhandeld en gedronken. Daarna verdween deze geliefde drank van het toneel.
Over hoe dit molbier precies smaakte, lopen de verhalen uiteen; het wordt omschreven als zowel een ‘zacht zoet bier’, maar ook als ‘een zurig bier’. Dit had waarschijnlijk te maken met de manier waarop het bier werd gebrouwen. Het molbier was een mix van verschillende ‘beslagen’. Het bestond deels uit een gehopte en gekookte wort die men na het koken liet staan, waardoor het al zuur werd vóór het vergistingsproces. Aan dit zure wort werd ongehopte, ingekookte wort toegevoegd, die door het inkoken een soort stroop was geworden. Door de toevoeging van deze ‘stroop’ kreeg het bier een zoete smaak.

Pas hierna werd er gist toegevoegd aan het bier, een ondergist, dat langzaam werkt. De gist zette de suikers in het bier om in alcohol; hoe langer het bier dus bleef staan / vergisten, hoe minder zoet het werd en hoe meer de zuren in het bier naar boven kwamen. De verschillende smaakomschrijvingen zijn dus waarschijnlijk alle correct; het hing er maar vanaf hoe vers het Molbier was dat gedronken werd.
Tot nu toe is niemand erin geslaagd het originele recept van Molbier te achterhalen. Wel heeft bouwerij de Hemel ter ere van het 2000-jarig bestaan van Nijmegen in 2005 een eigen versie van het Nijmeegse molbier gebrouwen. Dit was een oranjeblond bier met een percentage van 6%.
